Jan Duiker’s laatste werk

Een verrassing en een bevrijding brengt ons het laatste werk van Duiker. Een verrassing, niet in den geest van een volkomen onverwachte gebeurtenis, want we weten, dat Duiker steeds iets nieuws en fris ontwierp. De verrassing ligt meer daarin, dat we op het eerste gericht ons zelf afvragen: “Hoe komt iemand op het idee, op die plaats en in die omgeving een schouwburgzaal voor 700 personen en een hotel-restaurant van dien omvang te bouwen?” Tegelijkertijd geeft het gebouw ons een gevoel van bevrijding zoals Duiker zo bij uitstek in staat was ons door zijn werk te geven. De bevrijdende werking van dit gebouw is spontaan. Het bevrijdt de omgeving van haar neerdrukkende burgerlijkheid; dat wil niet zeggen, dat die burgerlijkheid thans niet meer aanwezig zou zijn, ze is alleen door Duiker’s werk als het ware gedecimeerd, van haar deprimerende kracht beroofd, tot onschadelijke bijkomstigheid geworden. De omgeving is eigenlijk verdwenen, Duiker’s Hotel-restaurant alleen is er, het geeft een geheel nieuwe noot aan Hilversum, de stad der forensen en van Dudok. De “nette mensen” gemeente wordt door het werk van Duiker uitgelachen. Niet in sarcastische zin, daarvoor was Duiker te menselijk en daarvoor was hem zijn werk te lief. Hij lacht in dit werk zijn laatsten, menselijke, bevrijdende lach. Spontaan in alle geslotenheid, elke beperking, elke deftigdoenerij, elk aesthetisme verdwenen. De hofjeslucht van de omgeving eromheen is in een oogwenk weggeblazen.

Geen plaats is er voor de dikbuikige hotelportier, die altijd één oog gericht houdt op de vestzak der gaste. Gouden portiertressen zouden een anachronisme zijn in dit hotel zonder de zo deprimerende met etensgeurtjes, donkere hotelgangen. Hier openheid, licht, lucht, ruimte. De hotelgangen zijn in haar soberheid en door de fijne belichting feestelijke ruimten geworden. Zoals het licht daar om de kolommen speelt bewijst het ons, wat in de architectuur uitsluitend met licht kan bereikt worden. We zien hieruit hoe weinig nog in het algemeen de lichtwerking in onze gebouwen is bestudeerd, en hoeveel alleen met lichtvulling en lichtverdeling in onze ruimten bereikt kan worden

Als we daarbij bedenken dat in de bouwverordeningen meestal vermeld staat, dat het lichtoppervlak van een ruimte circa 1/6 tot 1/7 van het vloeroppervlak moet bedragen, dan beseffen we tevens hoe groot nog de afstand is tussen de mathematische lichtplaatsing en de schoonheid van het licht dat door een kunstenaar werd beheerst.

Geen van ons is zo bevrijdend in zijn werk als Duiker dit was – niemand van ons heeft dien durf, die volkomen onbevangenheid. De meesten van ons zijn te degelijke instructeurs of te verstandelijk, anderen te esthetisch, te zwaartillend of te deftig. Hij had een luciditeit, die ons zoo dikwijls treft bij hen, die als het ware steeds gereed zijn om het lange leven vroeg te eindigen, omdat ze in dien korten tijd reeds zo veel meer gaven dan anderen in een lang leven.

Duiker was alles behalve een peuteraar. Veel in zijn werk is geladen met de uitbundigheid die de natuur kenmerkt in haar onvernietigbare overdaad. Lang niet alles is bij Duiker verantwoord in den zin der mathematische techniek, en dikwijls niet verantwoord uit een oogpunt van eeuwenlange bruikbaarheid. Maar juist dit maakt dat zijn werk de frisheid heeft van de zich steeds vernieuwende natuur. De afbrekers van zijn werk, zij die de liniaal en rekenlat bij uitstek beminnen, zij kunnen zijn waarde maar half beseffen. Zijn vereerders nemen zijn gebreken gaarne mede in het schone spel van zijn verbeelding, die minder verbeelding zou zijn, als alles juister doordacht en met minder drift en meer braafheid was voorgedragen.

Nu hij er niet meer is, nu zijn geestesbeeld door anderen tot werkelijkheid is gebracht, beseffen wij met des te meer ernst hoe verheugd wij moeten zijn, dat zijn schetsen voor dit gebouw door de uitvoering niet in waarde zijn teruggelopen, dat zijn fantasie niet door de rekenmeesters is vernietigd. Wij zijn Bijvoer, zijn vroegere compagnon, bijzonder dankbaar voor het feit dat hij zo weinig mogelijk zichzelf heeft uitgeleefd bij de uitvoerig van het werk, dat hij, in samenwerking met architect E. Buurke en te Scheemda, zo gewetensvol den geest en de luchtige verbeelding bewaard heeft, die Duiker in zijn schetsen had nagelaten. Groter eerbied aan de nagedachtenis van Duiker had Bijvoet niet kunnen bewijzen. Door deze eerbied heeft Hilversum thans een hotel-restaurant-schouwburg verkregen van zodanige brede allure dat ongetwijfeld velen, die anders het Gooi zouden passeren om de grote stad als verblijf op te zoeken, door deze laatste schepping van Duiker, in het Gooi vastgehouden zullen worden. Wij zullen hem uitermate dankbaar blijven voor dit werk, waarmee hij, het nieuwe bouwen, een grote dienst bewezen heeft. In dit werk liggen veel gedachten besloten, die ons den weg wijzen naar ‘de nieuwe stad’. De stad zonder de mensonwaardige steenklompen, die wij gebouwen plegen te noemen.

Het originele artikel lees je hier.

Bron: De Groene Amsterdammer 1936